Op vraag van Etablissement d'en face herinstalleert Jacques Charlier (°1939, Luik) 'Zone Absolue', een tentoonstelling en evenement uit 1970 te Luik getoond in het toenmalige APIAW (Association pour le progrès intellectuel et artistique de la Wallonie). In deze tentoonstelling toont Jacques Charlier een autonomie én engagement van de kunstenaar jegens de maatschappij, die ons heden zeker en vast nog actueel overkomt.
Om den brode was Charlier in de late jaren '60 en begin '70 als tekenaar aan het werk voor de Service Technique de la province de Liège (STP), een administratiedienst die er de infrastructuurwerken (autowegen, rioleringen enzovoort) plande en opvolgde. Als kunstenaar heeft Charlier in die ondertussen bekende STP-periode veel werk gerealiseerd waarbij hij beeld- en werkmateriaal, werkmethodes en documenten rechtstreeks uit die professionele omgeving van zijn collega-ambtenaren plukte om ze als realiteit in zijn kunst op te nemen.
Precies in die late jaren '60 (Mei '68...) was er onder meer in Luik veel commotie omtrent de geplande moderniseringswerken in de stad Luik, waarbij autowegen rechtstreeks doorheen de binnenstad gepland werden. Charlier was hier niet ongevoelig voor. Als kunstenaar stond hij onder meer in directe relatie met het situationisme. Zo publiceerde hij vanaf 1965 tot '68 verschillende edities van Total's, l'édition souterraine liègeoise, een gestencild blaadje met bijdragen van diverse mensen uit zijn omgeving. Dat blad getuigt van een scherpe, lucide manier van 'in de wereld staan', zonder enige vorm van illusie te koesteren. Of zoals het voorwoord in het eerste nummer stelt: 'TOTAL is het spektakel van het algemeen en van ons persoonlijk leven. Het wil geen hoop opwekken en vecht niet voor een utopische vrijheid waar eenieder eindelijk zelfbewust zou worden. TOTAL beperkt zich tot een leven in verborgen gangen, zonder de wil tot overtuigen. Dat men ons ziet leven, volstaat.'
Na de protesten in '68 besloot de directie van het APIAW - in een vlaag van democratische bekommernis? - om de kunstenaars eens te vragen wie een volgende tentoonstelling mocht verzorgen. Na twee stembeurten viel de keuze uiteindelijk op Charlier. Hij realiseerde er deze tentoonstelling, die dankzij zijn voorstel voor de realisatie van een 'absolute zone' zich entte op het hete hangijzer dat over de Luikse stad hing; de op til staande moderne infrastructuurwerken in de stad en het protest erop vanwege stad- en natuurminnende bevolkingsgroepen. Zoals de tekst op het planontwerp van de Absolute Zone getuigt, is dit in eerste instantie een conceptueel ontwerp, dat toegepast kan worden op een kleiner areaal, uitgebreid kan worden in een toepassing over een gehele stad (in casu Luik) en zelfs op schaal van de aardbol kan uitgevoerd worden. Charlier presenteert er op sardonische wijze een totaaloplossing voor de problemen inzake huisvesting, mobiliteit en de mensen in het algemeen. En hij doet dat door twee fundamentalismen van zijn tijd - de moderne en ecologische beweging - radicaal en paradoxaal naasteen te plaatsen.
In het overig tentoongestelde werk getuigt Charlier eveneens van een ontnuchterende ingesteldheid. De Transparante vlag (1966) werd ondermeer tijdens de eerste anti-atoombombetoging in Brussel in 1968 meegedragen door leden van de groep Total's. Met volgende intentie, zoals Charlier in een gesprek met Jean-Michel Botquin vertelt: 'Wat die deelname aan de betoging betreft, wilden we naast die idee van transparantie waarover ik je vertelde namelijk hoe meer men roept om transparantie, des te troebeler treedt het mysterie in we wilden dus bovendien een soort kilte in die betoging brengen, er de temperatuur doen dalen als tegengif voor de toeters en bellen. We creëerden er een zone voor stilte. Het was een manier om te zeggen dat er eigenlijk niets gebeurde, dat de werkelijkheid elders lag, dat het spektakel ten gronde weinig zin had. In zekere zin was het een wijze van protest over hoe de contestatie getheatraliseerd werd, en om ondertussen toch de motivering tot dat protest te ondersteunen.'
In de gefilmde performance Canalisations souterraines (1969), gefilmd door Nicole Forsbach verricht Charlier ware Sisyfusarbeid, in afwezigheid van elk publiek tenzij een paar spelende jongens. In deze performance, verricht op een terril van afval uit de steenkoolmijnen, ploetert Charlier met dat inert materiaal en een wit zeildoek. Een allegorie van het dagelijks hard labeur, dat in schril contrast staat tot de hem toen bekende vormen van land art.