De titel wordt al sinds de zesde eeuw gebruikt en duidt priesters mèt of zonder wijdingen aan. Ook wie alleen lagere wijdingen en geen priesterwijding had ontvangen en lagere geloften had afgelegd, mocht zich Abbé noemen. Franz Liszt is daarvan een voorbeeld.
Een Abbé, die lang niet altijd over zo'n sinecure beschikte en vaak geen abt werd, was herkenbaar aan zijnzwarte of donkerviolette kleding met bef en pagekapsel.
Veel Abbés waren huisleraar, wetenschapper of diplomaat. Abbé Atto Melani is daarvan een voorbeeld. Casanova noemt de losbandigheid van de abates aan het Romeinse hof en beschrijft in zijn memoires een orgie met twee dozijn abbates die zich "in alle denkbare posities en combinaties" amuseerden.