Liberale richting, met name op staatkundig en economisch gebied.
Het liberalisme hecht sterk aan vrijheid. Ieder individu moet zoveel mogelijk zijn eigen leven kunnen inrichten en is daarvoor zelf verantwoordelijk.
Na de bevrijding was er aanvankelijk een grote drang naar politieke vernieuwing, die door de Nederlandse Volksbeweging op de voorgrond is geplaatst. Het resultaat was echter gering. Alleen de Sociaal-Democratische Arbeiders partij, de Vrijzinnig-Democratische Bond en de Christen-Democratische Unie verbonden zich met enkele dissidente christelijk-historischen en rooms-katholieken in de partij van de Arbeid. De andere partijen kwamen deels in dezelfde vorm, deels in enigszins gewijzigde vorm terug.
De Liberale Staatspartij vormde met die vrijzinnig-democraten die de overgang van hun partij naar het socialisme niet wilden meemaken, eveneens in 1946 de Partij van de Vrijheid, die als eerste beginselen van een op christelijke grondslag berustende samenleving stelde: de vrijheid, de verantwoordelijkheid en de sociale gerechtigheid.
In 1947 trad de vroegere vrijzinnig-democratische leider Pieter Jacobus Oud uit de Partij van de Arbeid, omdat hij zich niet met haar beleid kon verenigen en deze nieuwe partij zich zijns inziens te veel in de richting van de oude SDAP ontwikkelde. Hij vormde een nieuwe politieke groep, die na besprekingen met voormannen uit de Partij van de Vrijheid onder leiding van Dirk Uipko Stikker tezamen met deze partij op 24 jan. 1948 de Volkspartij voor Vrijheid en democratie heeft opgericht.
Vanaf het midden van de jaren zestig begonnen liberalen, vooral in de Angelsaksische landen zich zorgen te maken over de consequentie van dit utilitaristische uitgangspunt, namelijk dat het welzijn van de een tot stand kan komen ten koste van de armoede van de ander. In reactie hierop benadrukten liberale filosofen, zoals Rawls en Dworkin, dat niet de individuele vrijheid, maar de gelijkheid van mensen als het kernstuk van de liberale gedachte moet worden beschouwd. Hun pleidooi voor herverdeling van inkomens en goederen gaat in tegen het economisch liberalisme van Milton Friedman en Friedrich August von Hayek, die in de loop van de jaren zeventig een medestander vonden in Nozick. De laatste presenteert een liberale theorie, gebaseerd op het kantiaanse principe van de onschendbaarheid van individuele rechten, waaruit een pleidooi volgt tegen herverdeling.
In december 1966 werd D66 opgericht uit onvrede met het politiek bestel. Oprichters waren o.a. Hans van Mierlo, Hans Gruijters en Jan Glastra van Loon. Van Mierlo was tot 1972 lijsttrekker. Aanvankelijk werd veel nadruk gelegd op staatkundige vernieuwing, zoals verkiezing van de minister- president en invoering van een districtenstelsel. Later kregen ook milieu en technologie-beleid veel aandacht.