Amstel Gallery
Amstel Gallery Features established and emerging artists.

Kunsthandel Marcel Gieling
schilderijen, grafiek, sculpturen en toegepaste kunst vanaf 1900 tot heden.

B&B Tytsjerk/Galerie Kunstbus
Galerie Kunstbus
Bed & Breakfast in Friesland

kunstkanaal









Michel Foucault


Foucault wordt met Lacan, Derrida en Lyotard gerekend tot de belangrijkste representanten van de stroming in Franse filosofie die de antisubjectfilosofie genoemd wordt. Deze filosofie is een reactie op het traditionele eenheidsdenken ook wel identiteitsfilosofie genoemd. De antisubjectfilosofie verwerpt het idee dat de individuele mens als grondslag kan dienen voor het filosofisch denken. Dat de mens de waarheid in pacht zou hebben of via de wetenschap zou kunnen krijgen, vinden zij een grenzeloze overschatting van de kwaliteiten die toegeschreven worden aan het feit dat mensen kunnen denken. Kortom het idee van de mens als subject van de geschiedenis vormt volgens hen een misvatting. De taal is in het werk van deze filosofen een belangrijk aanknopingspunt. De mens die er prat opgaat, dat hij spreekt, is in feite horig aan de orde die de taal sticht.

bografie
Michel Foucault is in 1926 in Poitiers geboren.

Foucault studeert filosofie en psychologie en promoveert op Folie et Déraison.

Histoire de la folie à l'age classique (1961). In de volgende boeken analyseert hij de vertoogstructuren van de geneeskunde en de menswetenschappen.

Het werk van de Franse filosoof Michel Foucault wordt gekenmerkt door een veelheid van perspectieven die alle globaal onder de noemer ‘subjectkritiek' kunnen worden gerubriceerd. Deze radicale kritiek op de vermeende autonomie van het moderne, westerse subject wisselt steeds van gedaante.

I. Op zoek naar de structuur van de kennis (jaren ‘60)
In de jaren zestig ontwikkelt hij zijn radicale kritiek op het westerse subjectbegrip. Hij ontkent alle eenheid en oorsprong, ook in de taal. Eenheid bestaat slechts door het verdoezelen van de verschillen. Foucault sluit met name aan bij de fundamentele kritiek die Nietzsche verwoordt op het waarheidsstreven van de mens. De idee dat mensen 'beter' zijn omdat zij een 'wil tot waarheid' bezitten, is een vorm van zelflegitimatie. In het idee verheft de mens zich boven zichzelf uit. Daarom is de wil tot waarheid in feite de wil tot macht. Foucault volgt Nietzsche in zijn kritiek op het humanisme dat hij als 'universele machtsdrift' bestempelt: door zichzelf tot redelijk denkend wezen te verklaren, is de mens in staat om zijn medemens in gestichten op te sluiten.
zie ook: postmodernisme-van-de-twintigste eeuw

De 'grote opsluiting' is het thema dat Foucault uitwerkt in zijn boek Folie et déraison. Het boek verschijnt in 1961 en beschrijft de huidige Westerse manier van denken en redeneren zoals deze in het spoor van de Verlichting is ontstaan. Het betreft de manier van denken die het idee van 'goed en kwaad' zoals de kerk dit hanteert, vervangt door 'redelijke' begrippen als 'maatschappelijk en onmaatschappelijk'. De tweedeling in de maatschappij is daarmee een feit.

Als eenheid van analyse neemt Foucault het vertoog ('discours'). Een vertoog is het geheel aan redenaties waarmee een onderwerp in een bepaald perspectief wordt gezet. Het vertoog wordt gevormd door de geschreven of gesproken teksten rond een onderwerp. In een vertoog schuilt veel macht op het punt van het aanmerken van wat 'normaal en abnormaal' genoemd wordt en het toewijzen van de machtsposities. Het voorbeeld van een vertoog dat Foucault in zijn latere werk beschrijft, is dat van de seksualiteit. De krachten die vertogen op hun plaats houden, worden door Foucault uitsluitingsmechanismen genoemd. Het idee van de uitsluitingsmechanismen vormt de vondst die het werk van Foucault zo treffend maakt. Op deze manier toont Foucault de keerzijde van de eigenschappen die een cultuur pleegt te belonen. Het feit dat men deskundig is of recht van spreken heeft, is niet gebaseerd op eenheid van kennis, maar op de macht te bepalen wat kennis is. In de werkelijkheid krijgt kennis zijn waarde bepaald in het vertoog, maar het wordt voorgesteld alsof het subject als denkend wezen deze kennis heeft 'ontdekt'. Zo eigent het subject zich een positie toe van uniciteit: in het subject komt zogenaamd alle denken en kennen samen.

Foucault toont in 'Histoire de la folie à l'âge classique (De geschiedenis van de waanzin)' en 'Les mots et les choses (De woorden en de dingen)' hoe in vertogen kennis over de mens wordt geproduceerd en kritiseert de steriliteit van het humanisme, dat universalisme als uitgangspunt neemt en niet de verschillen tussen mensen.

1963: Geboorte van de kliniek
structuralistisch klimaat (LEVI-STRAUSS, LACAN,...) versus existentialisme (SARTRE, MERLEAU-PONTY)
1966: Les mots et les choses

Michel Foucault doet in het midden van de jaren zestig het weldenkende deel van de wereld opschrikken door in Les mots et les choses. Une archéologie des sciences humaines (1966) te verkondigen dat 'de mens op het punt staat te verdwijnen'. In dit boek ontmaskert hij de illusie van de moderniteit: autonomie en rationaliteit zijn geen menselijke wezenskenmerken. Dé ‘mens' - het moderne, rationele subject dat na ‘de dood van God' zijn eigen leven bestiert en zelf zijn toekomst inricht - is slechts één specifieke manier van samenhangend spreken en schrijven over individuen van vlees en bloed. Deze samenhangende manier van spreken en schrijven kenschetst Foucault als een ‘discours' of een vertoog. Dit is een netwerk van wetenschappelijke theorieën, politieke tractaten en morele voorschriften, die een cultuur schraagt. Als weten werken deze echter altijd door in concrete instituties en praktijken. Weten oefent macht uit. Het moderne proces van weten-macht noemt Foucault disciplinering. Foucault beschrijft hoe ons huidige zelfbegrip zich aandient in de negentiende-eeuwse menswetenschappen en na de Tweede Wereldoorlog in een crisis raakt.

Hij ontwikkelt een geheel eigen visie op de werking van de macht, die niet wordt opgevat als louter repressief, zoals in het marxisme. Macht produceert ook positieve gestalten: samenhangende identiteiten. Een vertoog maakt het mogelijk dat individuen een gemeenschappelijke blik op en houding ten aanzien van de wereld, hun medemens en hun innerlijk leven hebben. In kritische zin betekent dit echter dat het moderne, autonome subject het product is van de menswetenschappen en microfysische machtswerkingen in plaats van de grondslag te zijn van het menswetenschappelijk weten.

In Les mots et les choses graaft hij echter nog diepere lagen in onze cultuur af: als een archeoloog van het weten opent hij zo het zicht op andere ‘essenties' die door eerdere vertogen zijn geproduceerd. Achter ieder masker verschijnt weer een ander masker. En precies daarin openbaart zich het weerbarstige in Foucaults filosofie: er is geen ultieme waarheid meer. Want ondanks zijn radicale kritiek op de moderne mens opent hij niet het zicht op de ‘echte' mens. Foucaults paradoxale ‘waarheid' is dat iedere waarheid geproduceerd wordt in waarheidspraktijken. De waarheid wordt niet ontdekt, maar uitgevonden. Iets wat we alleen achteraf kunnen vaststellen. En het is dit inzicht waardoor hedendaagse individuen toch weer een beperkte autonomie toevalt: samen met anderen zijn we in staat in het besef van de principiële voorlopigheid ervan waarheden te praktiseren.


1966- 1968: Tunis
1969- 1970: Hoogleraar aan de universiteit van Vincennes

In 1970 wordt hij hoogleraar aan het prestigieuze Collège de France.
In zijn rede L'ordre du discours van 1970 geeft Foucault een opsomming van de verschillende categorieën van uitsluitingsmechanismen en krijgt men een idee van de verleiding die van hen uitgaat. De eerste categorie betreft de externe mechanismen. Zij laten zich aanduiden met op het oog heel gewone namen zoals: het verbod (niet alles is bespreekbaar), de tegenstelling tussen rede en waanzin (het spreken van de gek is ongeldig), waar en onwaar (wij hebben een zintuig voor het onderscheid tussen waar en onwaar). Een tweede categorie wordt gevormd door de interne mechanismen: het commentaar, de auteur en de discipline. Zij hebben betrekking op het gebruik van de taal. De disciplinering van ideeën tot begrippen, die vervolgens door auteurs tot basis van het beschrijven van de werkelijkheid worden genomen en in het commentaar eindeloos worden herhaald, is de kern van de vertoning die wij wetenschap noemen. Als het subject tenslotte ook gaat uitmaken wie het recht van spreken heeft, tekent zich de derde categorie uitsluitingsmechanismen af: de vertooggemeenschap, het ritueel, de doctrine en de sociale toeëigening van het vertoog. De psychologie van de uitsluitingsmechanismen is dat zij het subject de waan der creativiteit toekennen. In feite zijn zij vereenvoudigingsmechanismen waarvan het resultaat een schepping wordt genoemd: door de werkelijke wereld te vertragen schept de mens zijn wereld.

II. Machtsanalyses (jaren ‘70)

1971: oprichting van GIP (Groupe d'information sur les prisons)
1972: mee aan de wieg van La Libération

Zijn werk politiseert en hij ontwikkelt zijn these over de disciplinerende machtswerkingen in Surveiller et punir (1975): het conventionele - liberale en marxistische - machtbegrip wordt in 'Discipline, Toezicht en Straf' onder vuur genomen en lichamelijkheid wordt een filosofisch thema.

Pas dan erkent Foucault publiekelijk zijn homosexuele geaardheid en analyseert hij de vertoogsmatige disciplinering ervan in het eerste deel van zijn Histoire de la sexualité (1976) (De wil tot weten). In de twee volgende delen gaat Foucault terug naar de wortels van het sexualiteitsvertoog in onze cultuur: het klassieke Griekenland en de hellenistische wereld.

III. Ethiek van de zelfzorg (jaren'80)
In de jaren tachtig worden subjectkritiek en machtsanalyse op een ervaringsniveau herdacht: wat betekent het voor de ethische opstelling van individuen en hoe werken reflectie en creatie daarin door? Foucault ontwikkelt vanuit een analyse van Griekse en Romeinse 'zelfpraktijken' in 'Het gebruik van de lusten en De zorg voor zichzelf' (1984) de gedachte van een bestaansesthetica: een levensstijl waarin het kunstmatige gehalte van iedere definitieve zingeving wordt erkend en ethiek en esthetiek elkaar wederzijds bevruchten.

Foucault stierf in 1984 aan AIDS.

Foucault, filosofie en kunst
Vanaf het begin van zijn intellectuele carriére heeft Foucault belangstelling gehad voor kunstwerken en kunstpraktijken. Zijn het aanvankelijk Goya, Velasquez en 19e eeuwse literatoren die in zijn analyses opduiken, al snel wendt hij zich tot het surrealisme en komt Magritte in beeld. Daarnaast toont hij een affiniteit met het werk van Artaud en schrijft hij met name over Hölderlin en Flaubert. Over hedendaagse kunstpraktijken heeft hij zich niet systematisch uitgelaten. De toenemende verstrengeling van filosofie en kunst in zijn geschriften kan begrepen worden als een ontwikkeling die eigen is aan een vorm van filosoferen waarin verschillen het centrale oriëntatiepunt vormen.

zie ook:
Wijsgerige ethiek
Levenskunst
Structuralisme: Michel Foucault
Foucault en zijn relevantie in communicatiewetenschappen en cultuurstudies
Foucault en zijn invloed op Butler: post-structuralistisch feminisme



Vragen en antwoorden

Niet de informatie gevonden waar u naar zocht? Stel uw vraag aan Kunstbus en wij en/of bezoekers van deze website zullen proberen u verder te helpen!






privacybeleid