1 geheel van beginselen en regels van bestuur. 2 beleid van een regering. 3 manier van optreden => tactiek.
politiek (bn.) - Betrekking hebbend op de politiek, het staatkundig beleid.
De politicus (m.) - Staatsman, deelnemer aan het politieke leven.
monocratie Alleenheerschappij.
oligarchie Regering van slechts weinig personen die behoren tot de bevoorrechte klasse. In een oligarchie is de autoriteit van de wetten afgeleid van de autoriteit van een kleine elite.
plutocratie 1 heerschappij van het grote kapitaal. 2 de invloedrijke rijke mensen. In een plutocratie garandeert de macht van het geld de autoriteit van de wetten.
theocratie 1 staatsvorm waarin de godheid als de onmiddellijke gezagsdrager wordt beschouwd. 2 heerschappij van priesters, als rechtstreekse dienaren van God. In een theocratie is de autoriteit van de wetten afgeleid van de autoriteit van God.
technocratie 1 stelsel tot hervorming van de economische inrichting van de maatschappij onder leiding van technici. 2 heerschappij van technici of van de techniek.
Democratie Een democratie wordt onder andere gekenmerkt door vrije, geheime en algemene verkiezingen waarbij een volksvertegenwoordiging door en uit het volk wordt gekozen. Met andere woorden het volk kiest een volksvertegenwoordiging.
Democratie betekent letterlijk 'volksheerschappij'. In een democratie wordt geen autoriteit boven de bevolking erkend; het volk is soeverein. In een democratie hebben de wetten autoriteit omdat degenen die de wetten moeten gehoorzamen, ze op een of andere manier hebben goedgekeurd.
Ons kiesstelsel wordt ook wel particratie genoemd 1 stelsel waarin de politieke partijen de macht uitoefenen.