In de twintigste eeuw wordt de term avant-garde in de artistieke context gebruikt om er progressieve kunststromingen mee aan te duiden. Avant garde kunstenaars streven in hun werk naar steeds grotere autonomie van de beeldende middelen. Vaak munt dit uit in abstracte kunst, die weliswaar geen herkenbaar onderwerp meer heeft, maar wel een inhoud, die in theoretische artikelen en manifesten wordt verklaard. De avant-garde bewegingen kenmerken zich door hun breuk met het verleden en met de gangbare ideeën in de kunstwereld van eigen tijd en door het strijdbare karakter waarmee ze hun kunst propageren als de enige 'waarheid'. Originaliteit staat hoog aangeschreven. Theorie, achtergronden en vormaspecten van kubisme, futurisme, expressionisme, constructivisme, De Stijl, het Bauhaus, dadaïsme en surrealismekomen aan de orde.