In 1993 winnaar Prix de RomeTekenen. David Bade debuteerde in 1993 bij de Prix de Rome. Hij nam deel aan de eindronde. Bade's tekeningenzijnhelder en los opgezet. Vaak vult de kunstenaar de tekeningen aan met kritische teksten. Het zijn verhalende taferelen vol karikaturale overdrijvingen. Het ruimtelijke werk van Bade ontstaat impulsief en associatief. De beelden hebben een informeel, soms zelfs een enigszins speels karakter door het veelvuldig gebruik van allerlei afvalmaterialen en onedele grondstoffen zoals polyurethaan schuim (purschuim), klei, hout, karton, metaal en plastic. De voorstellingen zijn afgeleid uit de wereld van entertainment, sport en consumptie, maar ook uit die van de kunst, de bijbel of het leven op straat. Zijn werk is doortrokken van een rauw en soms ironisch commentaar. Ook combineert hij deze verschillende werken in installaties.
Sindsdien nam hij deel aan groepstentoonstellingen als WATT (1994, Wittede With/De Kunsthal, Rotterdam), Couplet III (1994) en Glad IJs (1999, beide Stedelijk Museum, Amsterdam) en had hij solotentoonstellingen in Auckland, Nieuw-Zeeland (1997), het Musée d'Art Moderne et d'Art Contemporain, Nice (1999) en De Gele Rijder in Arnhem (1999).
Momenteel is Bade als docent verbonden aan de Hochshule der Kunsten in Bremen en woont en werkt hij in Istanbul (residencie via het Fonds BKVB). Hij wordt vertegenwoordigd door Sabine Wachters Gallery, Brussel en Knokke.
2003 Parade, Den Bosch Op het Theaterfestival Boulevard in 's-Hertogenbosch was de grote installatie 20 x 20 = vet van David Bade te zien. Gedurende tien dagen kon er door vrijwilligers en publiek gebouwd worden aan een monumentale sculptuur, die twintig meter lang en twintig meter hoog zou worden: een amorf beeld dwars door het festivalterrein heen. Bade maakte daarbij gebruik van een steigerconstructie die was ontworpen door de Tilburgse kunstenaar Jeroen Doorenweerd, die al sinds drie jaar in steeds gewijzigde vorm fungeert als ruimtelijke structuur voor alle festivalvoorzieningen. Zoals in veel van zijn beelden maakte Bade voor zijn beeld gebruik van alledaagse materialen als polyuretaan (pur-schuim), latten, kippengaas, plastics, piepschuim, etcetera. Hij verwerkte 25 vaten van tien kilo purschuim in het beeld, en dat was wat hem betreft nog niet 'vet' genoeg. Door middel van workshops onder regie van Bade konden geïnteresseerden meebouwen aan de gigantische 'sculptuur'. ‘In die zin was het ook een sociale gebeurtenis', aldus Bade. 'Het Oog Wil Ook Wat', stond er in piepschuimen letters op de installatie te lezen en als knipoog naar het haantje op de St Jan kerk liet Bade een reclamebord van Christine le Duc op de top van het beeld prijken. Bade schopt bewust tegen de conventies van beelden in de openbare ruimte aan, niet alleen qua beeldtaal - door een monsterlijk grote sculptuur neer te zetten - maar ook in zijn materiaalgebruik. Omdat de materialen zo kwetsbaar zijn, lijkt het in niets op de bestendigheid die kunstprojecten in de openbare ruimte doorgaans uitstralen. - (www.skor.nl)
Vragen en antwoorden
Niet de informatie gevonden waar u naar zocht? Stel uw vraag aan Kunstbus en wij en/of bezoekers van deze website zullen proberen u verder te helpen!