De gotiek zette tegen 1200 in Duitsland in. In tegenstelling tot de voorafgaande periode werden weinig grote kathedralen gebouwd. De beroemdste is de kathedraal van Keulen, die pas in de 19e eeuw voltooid werd. Wel werden veel kleinere kerken opgetrokken, o.a. de typisch Duitse hallenkerken: kerken waarvan het middenschip even hoog is als de zijbeuken.
Na een periode van stilstand, veroorzaakt door de Dertigjarige Oorlog (1618- 1648), volgde in de tweede helft van de 17e eeuw en in de 18e eeuw een bloeiperiode. De heersende stroming was de barok, in de loop van de 18e eeuw vermengd met speelse elementen en lichte kleuren van het rococo. Talloze kerken en kerkjes verrezen of werden aangepast aan de smaak van de tijd, vooral in Zuid-Duitsland, maar ook elders. Veel wereldlijke en geestelijke machthebbers lieten in deze tijd paleizen vergroten of nieuw bouwen.
Kort na 1750 zetten de verschillende neoclassicistische stromingen in; tot het ontstaan daarvan heeft de Duitser Johann Joachim Winckelmann, archeoloog en kunsthistoricus, veel bijgedragen. De bekendste architect uit die periode was Carl Friedrich Schinkel.
Beroemd is de landschapschilder Caspar David Friedrich, die tot de Romantiek wordt gerekend. Bekend waren ook de Nazareners (ca 1810-1820), die een `nieuw-Duitsereligieus-patriottische' kunst voorstonden. Van 1815-1848 overheerste de biedermeiertijd.
Omstreeks 1900 beheerste de Jugendstilbouwkunst en kunstnijverheid. Een van de belangrijkste centra was München. Aanvankelijk overheersten golvende lijnen, maar na 1900 kreeg een strakkere richting de overhand.
Het expressionisme herleefde na 1918. Een van de belangrijkste kunstenaars, die scherpe karikaturen maakte van allerlei naoorlogse misstanden, was George Grosz. In de bouwkunst vond het expressionisme toen ook aanhangers, zoals Erich Mendelsohn en zelfs enige tijd Walter Gropius; deze had al eerder strak gevormde, functionele gebouwen ontworpen, die als baanbrekend in de 20e- eeuwse bouwkunst moetenworden beschouwd.
Het nazi-regime maakte vanaf 1933 een eind aan de ontwikkeling der moderne kunst. De moderne, experimentele kunst werd `entartet' verklaard en uit de musea verwijderd. In schilder- en beeldhouwkunst moest propaganda voor het Derde Rijk gemaakt worden; de bouwkunst moest gebaseerd zijn op de traditionele Duitse vakwerkbouw (voor de woningbouw) of op de oude Griekse tempelarchitectuur (voor officiële gebouwen). Talloze kunstenaars die zich niet met de fascistischeideeën konden verenigen, vertrokken naar het buitenland.