De eerste bloeiperiode in de Engelse Kunst viel in de tijd van de Angelsaksische koninkrijken (5e-11e eeuw). Uit deze tijd zijn verluchte handschriften, edelsmeedwerk en gebeeldhouwde kruisen bewaard gebleven en dateert de Oud-Engelseliteratuur.
Tegen het einde van de 12e eeuw kwam de gotiek uit Frankrijk over.
Georgian Age De regeringsperiode van vier opeenvolgende Engelse koningen die George heetten en die een bloeitijd vormde van de beeldende kunst in Groot-Brittannië. Gedurende deze periode, die duurde van 1714 tot 1830, was, evenals elders in Europa, het neoclassicisme - vanaf ca 1730 - de belangrijkste stijl. Tot de bekendste schilders behoorden William Hogarth, Thomas Gainsborough, Joshua Reynolds, John Constable en William Turner.
Zeer belangrijk voor de ontwikkeling van de Engelse schilderkunst was Joshua Reynolds (1723-1792), maker van talloze portretten. Na de oprichting in 1768 van de Royal Academy of Arts (Londen), het officiële opleidingsinstituut voor kunstenaars, werd hij hiervan de eerste directeur.
Typisch Engels zijn de vele aquarellen die vooral van landschappen gemaakt zijn, o.a. door Alexander Cozens (1717-1786), zijn zoon John Robert Cozens (1752-1797) en Thomas Girtin (1775-1802).
Victoriaanse tijdperk De beeldende kunst van het Victoriaanse tijdperk (1837-1901) werd vooral gekenmerkt door de toepassing van neostijlen. Vernieuwing bracht o.a. William Morris, die invloed uitoefende op de Arts and Crafts Movement.