Van 1939-1941 zit hij in militaire dienst en daarna van 1941 tot 1944 is Trier technisch tekenaar in Berlijn. In 1944 moet hij echter weer in militaire dienst.
Direct na de Tweede Wereldoorlog werkt hij als decorontwerper in Nordhausen en van 1946 tot 1952 verblijft hij in Burg Bornheim bij Bonn. Hier is Trier in 1946 mede-oprichter van het "Donnerstagsgesellshaft", met Joseph Faßbender, Hubert Berke, Toni Feldenkirchen, Hermann Schnitzler, Eugen Batz, zijn broer de kunsthistoricus Eduard Trier en anderen.
De jaren vanaf 1950 worden gedomineerd door talrijke reizen naar Frankrijk, de V.S. en Zuid-Amerika, waar hij van 1952-1955 verblijft. Hier probeert hij met twee handen te schilderen, met twee kwasten in een gelijktijdige beweging. In iedere hand houdt hij een kwast en leidt ze over het canvas in zijn zogenoemde "choreografische kwaststreken", waarmee hij het schilderproces wil benadrukken. Dit wordt al snel een grondbeginsel van vorm.
In 1950 wint hij de 7de Blevin-Davis-Preis van München en de 2de Stroeher-Preis van Darmstadt. Ook in 1950 maakt Trier zijn eerste reis naar Frankrijk. In 1951 wordt hem de 4de prijs voor kleurgrafiek en de prijs van het Olympisch Comité voor Grafiek toegekend.
Van 1952-55 verblijft Hann Trier in Medellin in Colombia. Hij werkt als reclametekenaar en maakt studiereizen naar Ecuador, Venezuela, Mexico en Yucatan. In 1955 is hij in New York en reist door de V.S.
Na zijn reizen door Zuid-Amerika schildert Trier lineaire composities, welke resulteren in zijn Vibrationen.
In 1953 neemt Trier deel aan de expositie van de kunstenaarsgroep ZEN 49.
In 1955/56 is hij gastdocent aan de Hochschule für Bildende Künste in Hamburg. In 1955 neemt Trier deel aan Dokumenta 1 en neemt hij deel aan de expositie "Peintures et sculptures non-figuratives en Allemagne d'aujourd'hui" in de Cercle Volney te Parijs.
Van 1957 tot 1980 is Trier professor en later directeur van de Hochschule für bildende Künste in West-Berlijn.
In 1958 heeft hij een solotentoonstelling in de Kölnischer Kunstverein.
In 1959 neemt hij deel aan aan Dokumenta 2 te Kassel. In hetzelfde jaar heeft Trier een solotentoonstelling in de Kestner-Gesellschaft te Hannover.
In 1960 wordt hem de Kunstprijs van de stad Darmstadt toegekend en in 1962 de "Großer Staatspreis für Malerei des Landes Nordrhein-Westfalen" / grote Staatsprijs voor schilderkunst van Nordrhein-Westfalen.
In 1964 neemt hij deel aan Dokumenta 3 te Kassel. Eveneens in 1964 maakt hij zijn eerste reis naar Egypte en in 1965 maakt hij reizen door Zuid-Amerika.
In 1966 wordt hem de Kunstprijs van de stad Berlijn toegekend en in 1967 de Kunstprijs van de stad Keulen.
Vanaf 1967 heeft Trier een atelier in Toscane Italië.
In 1966-1971 begint Trier te werken aan de plafondschildering Deckenbild im weißen Saal des Knobelsdorff- Flügels in het kasteel Charlottenburg in Berlijn, welke hij in 1972 voltooit. Hij verhuist zijn atelier naar Mechernich-Vollem in Eifel. Ook in 1972 heeft hij een overzichtstentoonstelling in Rheinisches Landesmuseum in Bonn.
In 1974 realiseert hij een tweede grote plafondschildering in het kasteel Charlottenburg in Berlijn.
In 1975 maakt hij zijn tweede reis door Mexico. In 1978-79 maakt Trier een muurschildering en een plafondschildering in de Bibliotheca van de universiteit van Heidelberg.
Van 1977-1980 realiseert Trier de vrijhangende plafondschildering voor het stadhuis in Keulen.
In 1984 maakt hij een plafondfresco voor de Duitseambassade in Rome. In 1985 heeft hij een overzichtstentoonstelling in het Saarland Museum in Saarbrücken. In 1985-1986 maakt hij een muurschildering voor het nieuwe Wallraff/Richartz-Museum/Museum Ludwig in Keulen.
In 1988 maakt hij opnieuw een reis naar Egypte.
In 1989 - 1990 ontvangt hij de medaille "Verdienstorden des Landes Nordrhein-Westfalen".
In 1989 - 1990 realiseert Trier een muurschildering voor het Von der Heydt-Museum in Wuppertal, waar hij in 1990 eveneens een overzichtstentoonstelling heeft.
In 1995 sticht de kunstenaar zelf de Kunststiftung Hann Trier.
In 1999 sterft de kunstenaar in zijn huis in Toscane.