In 1908 ontmoette hij de schrijver Max Jacob, die hem introduceerde bij Guillaume Apollinaire en zijn vrienden. Behalve als schilder was hij actief als schrijver en publiceerde gedichten.
In 1910 en 1911 schreef hij diverse artikelen over kunst. Met een artikel in 1910 in het tijdschrift Pan was hij de eerste die het ontbreken van perspectief in de schilderijen van Picasso en Braque beschreef. Samen met Albert Gleizes schreef hij in 1912 het boek 'Du Cubisme', het eerste theoretisch werk over het kubisme.
Ook in 1913 nam hij deel aan de 'Salon d'Automne'. In dat zelfde jaar hingen ook werken van hem in GalerieDer Sturm tijdens de Eerste Duitse Herfstsalon in Berlijn en exposeerde hij samen met Gleizes en Léger in de Galerie Berthe Weil te Parijs.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlogin 1914 werd hij opgeroepen voor 1 jaar militaire diensttijd.
In 1915 sloot hij een contract met de kunsthandelaar Léonce Rosenberg, Zie alhier, en heeft hij een solotentoonstelling in galerie l'Effort Moderne, Parijs.
In 1919 keerde hij terug naar en ontwikkelde hij een synthetisch abstracte schilderswijze. Later ontwikkelde hij een figuratieve stijl, waarin kubistische vormen een belangrijke rol bleven spelen
Van 1922 tot 1927 schrijft hij teksten voor het tijdschrift Bulletin de l'Effort Moderne.
Jean Metzinger had exposities in Londen (1930: Leister Galleries; 1932: Hanover Gallery) en Chicago (1953: ArtsClub of Chicago).
In 1937 beschildert Jean Metzinger het interieur van de bioscoopzaal in het Pavillon des Chemins de Fer op de wereldtentoonstelling van Parijs.
In 1947 publiceert Metzinger de dichtbundel l'Excluse.
In 1953 exposeert hi op de tentoonstelling 'Le Cubisme 1907-1914' in het Musee National d'Art Moderne, Parijs.
Hij stierf te Parijs op 3 november 1956. Omdat de schilderkunst van Metzinger vanaf het begin enigszins overheerst werd door de invloed van Gris en Picasso, bleef zijn eigen invloed beperkt.