In 1924 hield hij zijn eerste eigen tentoonstelling en in 1928 exposeerde Ackermann zijn werk in Stuttgart samen met Wassily Kandinsky en George Grosz.
Vanaf 1928 wijdde Max Ackermann zich aan de absolute schilderkunst en in 1930 stichtte hij in Stuttgart een instituut voor absolute schilderkunst aan de Stuttgarter Volkshochschule.
In de absolute schilderkunst, zoals in het Neo-plasticisme is de gehele uiterlijke verschijning van de werkelijkheid als object verdwenen. De Absolute Kunst verbant de valse suggestie van een natuurlijke ruimte, evenals een plastische werking. Waar relief nodig is, past ze deze ook in werkelijkheid toe met middelen, die buiten het vlak komen. De absolute schilderkunst schakelt opzettelijk de dramatiek van de ‘natuurlijke’ vorm uit en verarmt daarmee enerzijds het beeldend uitdrukkingsmiddel, anderzijds wordt het karakter van het vlak behouden waarmee het een nieuwe ruimtewerking uitsluitend met kleur en lijn verkrijgt. De drie monochrome schilderijtjes ‘zwart op zwart’ die Rodchenko in 1921 in Moskou tentoonstelde werden beschouwd als ‘de ultieme autonome, absolute schilderkunst’.
Na de Tweede Wereldoorlog nam hij deel aan verscheidene tentoonstellingen voor moderne kunst (bijvoorbeeld de tentoonstelling in Überlingen aan het Bodenmeer in 1945 of de tentoonstelling Kunst in Deutschland 1930-1949 in Zürich in 1949). In 1946 kreeg Ackermann zijn leraarsbetrekking aan de Stuttgarter Volkshochschule weer terug. In 1957 werd hij door het Land Baden-Württemberg onderscheiden met de titelprofessor.
Op het einde van zijn leven, in 1974, trouwde Max Ackermann met Johanna Strathomeyer. Een jaar later, op 14 november 1975, overleed hij in Unterlengenhardt (in het Zwarte Woud).