In 1890 onderneemt hij met zijn schildervriend Robert Breyer (1866–1941) een studiereis naar Italië. Daarna vestigd hij zich in München als vrij kunstenaar.
In 1893 wordt Slevogt lid van de Münchner Sezession en de Freier Vereinigung.
In 1898 trouwt hij met zijn jeugdvriendin Antonie (Nini) Finkler die hij ook vaak als onderwerp voor zijn schilderijen gebruikt. In datzelfde jaar gaat Slevogt naar Neukastel en maakt in de herfst samen met de kunsthistoricus Karl Voll (1867-1917) een uitstapje naar Amsterdam om een expositie van Rembrandt's werk te bezoeken. Voll onderricht hem in de kunsthistorie en publiceert in 1912 de eerste monografie over hem.
In 1899 neemt hij met zijn schilderijDanaë deel aan de expositie van de Münchner Sezession. Het werk wordt echter wegens obsceniteit uit de tentoonstelling verwijderd. Op de eerste tentoonstelling van de Berliner Secession is zijn drieluik van Der verlorene Sohn een groot succes.
In 1900 reist hij opnieuw naar Parijs, waar hij zijn werk Sheherezade in het Duitsepaviljoen exposeert. Hij is zeer onder de indruk van de schilderijen van Edouard Manet.
In 1901 verblijft hij in Frankfurt am Main, waar hij zijn dierenschilderijen uitvoert.
In 1901 vestigt Slevogt zich samen met Lovis Corinth in Berlijn en sluit hij zich aan bij de Berlijnse Sezession. Hij richt zich vooral op de portretschilderkunst. Hij maakt talrijke portretten van acteurs in hun rollen, waaruit zijn voorliefde voor opera en theater spreekt. Ook geeft hij schilderlessen aan de kunstacademie.
Slevogt schildert in 1902 het beroemd geworden schilderij Das Champagnerlied of Der Weiße d’Andrade, één van de hoofdwerken in de Duitse kunst rond 1900. Het is een portret van de beroemde Portugese bariton Francisco d'Andrade, die in Berlijn in de rol van Don Giovanni triomfen viert. Hij schildert nog twee portretten van Francisco d’Andrade Der schwarze d'Andrade in 1903 en Der Rote d'Andrade in 1912.
In 1903 ontstaat zijn eerste boekillustratie Ali Baba und die 40 Räuber, voorts Improvisationen (1903) evenals Sindbad der Seefahrer (1907). In 1905 verschijnt Schwarze Szenen bij uitgever, galeriehouder Bruno Cassirer. Slevogt begint een jaar later decors en kostuums voor Max Reinhardt's kamerspelen van het Duitse theater te ontwerpen.
Een reis naar Egypte in 1914 resulteert in 21 schilderijen, talrijke waterverfschilderijen en tekeningen. Hij schildert landschappen in een nieuw en blakend zonlicht. Op de terugweg stopt hij in Italië.
Na de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog wordt Slevogt als officieel oorlogsschilder naar het westfront gestuurd. Door de oorlogservaring ontstaat een zoektocht naar een nieuwe stijl die uitdrukking geeft aan de verschrikkingen van de oorlog. In datzelfde jaar wordt hij lid van de KoninklijkeAcademie voor de Kunsten in Berlijn.
In 1915 schildert hij werken over de oorlog in België.
In 1918 verhuist Slevogt naar Neukastel in de Paltz. In de jaren twintig hervat hij zijn religieuze thema's en vervaardigt een reeks grafische werken, Passion. Slevogt maakt meer dan 500 illustraties bij de Faust II van Goethe.
Hij ontwerpt een decor voor de uitvoering van Mozart's Don Giovanni in de Dresdner Staatsopera in 1924. Eveneens in 1924 vervaardigt Slevogt muurschilderingen voor de muziekkamer van Neukastel, in Berlijn. In 1927 ontstaan zijn fresco's in de Raadskelder in Bremen.
In 1929 krijgt hij een grote expositie voor zijn zestigste verjaardag in de Pruisische Academie voor de Kunsten in Berlijn.
In het laatste jaar van zijn leven in 1932 voltooit Max Slevogt zijn laatste werk een fresco over Golgotha in de Friedenskirche van Ludwigshafen. Het wordt vernietigd door bomaanvallen tijdens de Tweede Wereldoorlog.