Algemeen wordt het neo-expressionisme gezien als een reactie op de objectgerichte puristische en conceptuele tendenzen in de kunst sinds 1960. Het neo-expressionisme was taboe-doorbrekend in zijn herwaardering van de anti-intellectuele, intuïtieve schildershandeling, die uitdrukking gaf aan persoonlijke gevoelens en gedachten. Men wilde weer beelden maken en verhalen vertellen, wat door de periode van dogmatisch formalisme lange tijd niet meer mogelijk leek.
Neo expressionisme was een van de vele richtingen waarin het Postmodernisme zich aan het eind van de jaren zeventig ontwikkelde. De koele en cerebrale benadering en de voorkeur voor puristische abstractie werden afgewezen. Neo-expressionistische kunstenaars sloten zich aan bij de notie van de dode schilderkunst en grepen terug op alles wat eerder was verworpen: figuratie, subjectiviteit, openlijke emoties, autobiografischeelementen, geheugen, psychologie, symbolisme, seksualiteit, literatuur en een verhaallijn.
Deze stroming van schilders waarin men in het na-oorlogse Duitsland terugkeerde naar de traditionele schilderkunst die verwant is aan de expressieve schilderkunst van het Expressionisme heeft haar wortels in de lokale traditie, in mythes en sprookjes en in populaire cultuuruitingen als strips, popcultuur en volkskunst. Veel jonge neo-expressionisten waren ook actief op andere gebieden, vooral muziek, in het alternatieve circuit.
De stroming verwierf zich dankzij grote tentoonstellingen als A new spirit in painting in Londen (1982), Documenta 7 in Kassel (1982) en Zeitgeist in Berlijn (1982) in korte tijd een enorme populariteit.