Biografie Pierre Tal Coat is een autodidact kunstenaar, geboren op 12 december 1905 als de zoon van een visser in het dorp Clohars-Carnoët. In de Eerste Wereldoorlog sterft zijn vader tijdens gevechten aan het front van Argonne. In 1918 opgeleid als smid, begint hij te ontwerpen en te beeldhouwen. Hij wordt beloond met een beurs en gaat naar de École Primaire Supérieure van Quimperlé.
In 1923 gaat hij als klerk van een notaris in Arzano werken en in 1924 vindt Tal-Coat werk als decorateur voor de porseleinfabriek Henriot van Quimper, waarbij hij karakters en landschappen creëert van het Bretonse platteland.
In 1924 gaat hij naar Parijs, waar hij als model fungeert aan de Académie de la Grande Chaumière. Voorts is hij gieter bij de Sèvres fabriek en ontmoet de schilder Émile Compard.
In 1925 en '26 volvoert hij zijn militaire dienst in Parijs als kurassier (cavaleriesoldaat met borstharnas/kuras).
In 1927 ontmoet hij Auguste Henri en Fabre Bénézit en heeft zijn eerste solotentoonstelling in hun galerie A.G. Fabre onder de naam Tal-Coat. De periode 1927-29 brengt hij door in Bretagne en in 1930 teruggekeerd in Parijs studeert hij aan de Académie Scandinave. Hij associeert met vooraanstaande figuren als Francis Gruber, André Marchand, Gertrude Stein, Francis Picabia, Ernest Hemingway, Giacometti, Balthus, Artaud, Tzara en Paul-Émile Victor.
Eind 1932 wordt Tal-Coat lid van de groep 'Forces Nouvelles'. In 1935/36 exposeert hij met de goep 'Forces Nouvelles' evenals met de groep 'Nouvelle Génération' in Parijs.
Van 1936-39 werkt Tal-Coat aan zijn reeks Massacre schilderijen, die een verwijzing zijn naar de Spaanse Burgeroorlog.
In 1939 moet hij in dienst wordt echter in 1940 weer gedemobiliseerd en verblijft van 1940-44 in Aix-en-Provence, dat een toevluchtsoord voor vele kunstenaars was geworden waaronder Charles-Albert Cingria, André Marchand en Cendrars. Hier neemt hij in 1941 deel aan de door Jean Bazaine georganiseerde expositie 'Vingt jeunes peintres de tradition française' (twintig jonge schilders van de Franse traditie), welke in 1943 tentoongesteld wordt in de Galerie de France.
In 1945 keert Tal-Coat terug naar Parijs, waar hij deelneemt aan de eerste expositie van de Salon de Mai. Het daaropvolgende jaar keert hij terug naar Aix-en-Provence en verblijft in het Chateau Noir, waar hij Cézanne, André Masson, de filosoof Henri Maldiney en de dichter André du Bouchet ontmoet die allen goede vrienden van hem worden. In 1947 introduceert Masson hem in de Chineselandschapsschilderkunst. Inmiddels is zijn schilderstijl non-figuratief geworden.
Samen met de kunstenaars van de nieuwe Parijse School exposeert Tal-Coat regelmatig in de Galerie de France van 1943 tot 1965, de Galerie Maeght van 1954 (solotentoonstelling) tot 1974, de galerie Benador van 1970 tot 1980, de HM galerie, de galerie Clivages en de galerie Berthet-Aittouarès. In 1955 en 1959 neemt hij deel aan Documenta 1 en 2 te Kassel, in 1956 worden zes van zijn schilderijen vertoond op de Biënnale van Venetië, samen met die van Jacques Villon en Bernard Buffet.
In 1963 werkt hij samen met Joan Miró en d'Ubac aan de realisatie van de Fondation Maeght in Saint-Paul-de-Vence en ontwerpt hij een muurmozaïek voor de ingang. In 1968 wint hij de Grand Prix National des Arts.