Tijdens zijn studie en in de daaropvolgende jaren werkte Hynckes bij voorkeur buiten in de natuur. Hij schilderde de bossen rondom Brussel en de door de zon beschenen landschappen in Vlaanderen. Spoedig raakte hij ook geboeid door water, lucht en schepen, en koos hij bij voorkeur haven- en riviergezichten als onderwerp. Deze werken zijn veelal uitgevoerd in een impressionistische stijl met een vlotte, brede penseelstreek en met gevoel voor compositie en de werking van het licht. Sommige schilderijendoen door het naast elkaar plaatsen van felle, directe kleuren zelfs expressionistisch aan. Hynckes' werk viel op, en vóór zijn twintigste, in 1911 en 1913, had hij in Brussel al zijn eerste eenmanstentoonstellingen.
In 1914 werd hij opgeroepen voor militaire dienst. Hij vertrok naar het front, maar week al snel uit naar het neutrale Nederland waar hij exposeert in Den Haag en Amsterdam. Hij trekt veel aandacht met zijn affiches en maakt toneelkostuums en toneeldecors voor de Amsterdamse Stadsschouwburg. Hij neemt samen met de schildersWillink, Schuhmacher en Charley Toorop ook deel aan de groepstentoonstellingen van de Hollandsche Kunstenaarskring in het Stedelijk Museum te Amsterdam.
Gehuwd op 4-5-1921 met Jacqueline Wilhelmine Francine de Haan.
In 1924 zweert de schilder zijn impressionistische havengezichten en landschappen af, een groot gedeelte van zijn vroege werk werd toen door hem vernietigd of weggegooid, en begint aan zijn realistische periode. Zelf zegt hij: "Ik vind de werkelijkheid volmaakt. Ik wil heldere en klare gedachten schilderen. Ik trek mijn plan, dwars tegenover de impressionisten, niet het toeval, niet de gemoedsgesteldheid, niet de belichting." Zijn schilderstijl doet denken aan het kubisme van Picasso en Juan Gris: hij creëert bewust geen diepte door de voorwerpen een vooraanzicht en de tafel waar de voorwerpen op staan een bovenaanzicht te geven. Zo kijkt men op twee manieren tegelijk naar de voorstelling. De voorwerpen zijn echter vrij gedetailleerd weergegeven en zijn stillevens blijven realistischer dan het 'echte' kubistische werk.
In de loop van de jaren twintig krijgt Hynckes meer aandacht voor stofuitdrukking. Hij bestudeert de oude schildertechnieken en ontwikkelt een zeer eigen stijl met elementen die herinneren aan het 17de-eeuwse vanitas-stilleven: het thema 'de dood en vergankelijkheid' komt vaak voor in zijn werk. Vanaf 1933 trad er geleidelijk weer een verandering op in Hynckes' werk. Allengs verloren zijn doeken hun kubistische kenmerken en krijgt zijn werk magisch realistische kenmerken. Samen met Koch en Willink exposeert hij bij de Amsterdamse Kunstzaal van Lier met donkere, sombere stillevens vol verwijzingen naar de dood en vergankelijkheid. Schedels, dode hazen en vogels zijn naast lege flessen, muziekinstrumenten, bloemen en vruchten favoriete onderwerpen in zijn stillevens.
Na echtscheiding (12-11-1931) gehuwd op 26-6-1935 met Johanna Margaretha Zahn, schilderes. Uit geen van zijn huwelijken werden kinderen geboren.
Eind jaren dertig veranderen zijn stillevens: de doodssymboliek verdwijnt geleidelijk en de voorwerpen worden steeds alledaagser.
Hynckes' magisch-realistische stillevens waren op tentoonstellingen een groot succes, en met het hiermee verdiende geld kon hij in Blaricum een atelier-woning laten bouwen. In 1939 verruilde hij de drukte van Amsterdam voor de rust van 't Gooi. Hier, in zijn hacienda-achtige villa, leidde Hynckes met zijn vrouw en met zijn katten tot aan zijn dood een teruggetrokken en sober bestaan: pijproken en Belgische pralines vormden de schaarse uitzonderingen op deze zelfopgelegde ascese.
Na de Tweede Wereldoorlog gaat Hynckes naast zijn stillevens zelfs weer in de buitenlucht helder gekleurde landschappen en dorpsgezichten schilderen.
In 1973, op bijna tachtigjarige leeftijd, overlijdt Hynckes in zijn woonplaats aan kanker.