Betekenis en gebruik Het lijdend voorwerp is in de zin datgene waarop de door het werkwoord beschreven handeling direct betrekking heeft: . Jan slaat Piet (Piet is lijdend voorwerp)
Bij zelfstandige naamwoorden, lidwoorden en bijvoeglijke naamwoorden is er geen verschil tussen nominatief en accusatief in het Nederlands. Er wordt alleen nog bij de persoonlijke voornaamwoorden onderscheid gemaakt tussen het onderwerp in de nominatief en het (lijdend) voorwerp in de accusatief.
Ik zie Jan Jan ziet mij
Het woord ik staat in de nominatief, de vorm mij (of me) is een accusatief. Zelfs voor de voornaamwoorden is in het Nederlands de accusatief echter samengevloeid met de datief tot één vorm voor zowel lijdend, meewerkend als voorzetselvoorwerp. Alleen in het geval van hen en hun wordt het onderscheid officieel nog gemaakt. Zie voor deze kwestie het lemma Datief.
Ontwikkeling De accusatief is een van de acht oorspronkelijke naamvallen van de Proto-Indo-Europesetaal. Aparte accusatiefvormen komen nog in een aanzienlijk aantal Indo-Europese talen voor, bijvoorbeeld in het IJslands, Duits, Litouws en de meeste Slavische talen.
Oude accusatiefvormen in het Nederlands De oude accusatiefvormen van het Nederlandselidwoord waren: . accusatief mannelijk enkelvoud: den, enen . accusatief vrouwelijk enkelvoud: de, een . accusatief onzijdig enkelvoud: het, een . accusatief meervoud: de, /
Tegenwoordig vindt men deze accusatiefvormen nog in enkele standaarduitdrukkingen: . aan den toog . op den duur . in den regel
Dit is omdat achter de meeste voorzetsels in het Nederlands de accusatief volgt. Dit is in het moderne Nederlands van belang omdat daaruit de regels voortvloeien voor het onderscheid tussen hen en hun.
Ook de n in een wens als goedenavond gaat op een accusatief terug (..ik wens u enen goeden avond..). In vele dialecten wordt nog de zogenaamde accusativus temporalis gesproken, zoals die ook in het Latijn bestaat: "hij komt den zaterdag"
Uiteraard zijn enkel mannelijke accusatiefvormen nog te herkennen. Merk verder op dat het zelfstandig naamwoord geen speciale uitgang kreeg, dit in tegenstelling tot de -e van de datief.
Lange tijd hebben schoolmeesters en taalkundigen samengespannen om het onderscheid tussen nominatief en accusatief in het Nederlands kost wat kost in stand te houden. Men meende dat een taal met naamvallen 'beter' of 'hoogstaander' was dan een taal waarin dat ontbrak. Daartoe was in de schrijftaal de n van den verplicht. Dit leidde tot groot leed onder schoolkinderen en plaatste een aanzienlijke hinderpaal op het pad van de sociale ontwikkeling van de gemiddelde Nederlander. Men moest namelijk om foutloos Nederlands te kunnen schrijven weten of een woord nu mannelijk of vrouwelijk was. In het zuidelijk deel van het taalgebied was dat niet zo'n probleem omdat men daar dialecten sprak waarin dat nog duidelijk was. In het noorden moesten mensen het in een boekje opzoeken of een muntje opwerpen. Bij de spellingswijziging van 1946/1947 is de buigings-n facultatief geworden. Daarmee verdween vrij spoedig zowel het onderscheid nominatief-accusatief alsook het onderscheid mannelijk-vrouwelijk uit de geschreven taal. In de gesproken taal was dat al eeuwen eerder gebeurd.