Verwey debuteerde in 1885 met de poëziebundel "Persephone en andere gedichten". Uit deze bundel blijkt zijn vroege bewondering voor de Grieksemythen en voor het schoonheidsideaal dat oorspronkelijk de tachtigers samenbracht. De sonnettencyclus "Van de liefde die vriendschap heet" is een ode aan zijn vriend Willem Kloos. Deze cyclus werd opgenomen in de bundel "Verzamelde gedichten" (1889), die ook de cyclus "Van het leven" bevat. Die laatste cyclus is een duidelijke afwijzing van Verweys vroege individualisme. Hij brak in 1889 dan ook met Kloos, verliet 'De Nieuwe Gids' en begon een meer spirituele, door Plato geïnspireerde poëzie te schrijven. Bundels als "Het brandende braambosch" (1899) en "Goden en grenzen" (1920) zijn slechts enkele van de talrijke filosofische poëziebundels die verwey schreef. De spontaneïteit is echter zoek in deze gedichten die, door hun zoektocht naar de Platoonse Idee, erg abstract overkomen en dus zelden ontroeren.
Verwey publiceerde vele bundels toonaangevend kritisch proza. Het grootste deel van zijn opstellen werd verzameld in het 10 delen tellende "Proza" (1921-'23). Ook hierin staan het belang van het geestelijke en de banaliteit van het realistische in de literatuur centraal. Deze opstellen verschenen oorspronkelijk in het door Verwey opgerichte, vernieuwende tijdschrift 'De Beweging' (1905-1919). Daarnaast schreef hij essays over onder meer joost van den vondel ("Vondels vers", 1927) en frederik willem van eeden (1939).
Vragen en antwoorden
Niet de informatie gevonden waar u naar zocht? Stel uw vraag aan Kunstbus en wij en/of bezoekers van deze website zullen proberen u verder te helpen!