Pippi Langkous, haar beroemdste creatie, ontstond toen haar dochter Karin ziek werd, in 1941. Op de vraag van haar moeder waar zij graag een verhaal over wilde horen, antwoordde ze: 'Pippi Langkous'. Astrid Lindgren vertelde daarna iedere avond een verhaal over het meisje met de rare naam (die later overigens werd uitgebreid tot Pippilotta Victualia Rolgordijna Kruizemunta Efraïmsdochter). Pippi bleek een steenrijk meisje, dat zonder vader en moeder in een grote villa woonde met een paard (Witje) en een aapje met een strohoed (meneer Nilsson). Haar vader was een zeeroverhoofdman en later Koning van Taka-Tukaland, haar moeder was 'in de hemel'. Ze trok zich niets aan van wat grote mensen vinden, maar ging volstrekt haar eigen gang. Ze eet tenslotte liever snoep dan spruitjes, en als ze geen brieven van anderen krijgt, stuurt ze gewoon een brief aan zichzelf.