doen2 in (werkwoord; deed, heeft gedaan) 1 verhandelen, handel drijven in
doen3 over (werkwoord; deed, heeft gedaan) 1 de genoemde tijd met iets bezig zijn
doen4 (onovergankelijk werkwoord; deed, heeft gedaan) 1 handelen, zich gedragen 2 als plaatsvervanger van een eerder genoemd werkwoord
doen5 (overgankelijk werkwoord; deed, heeft gedaan) 1 een bepaalde handeling of werking ten uitvoer brengen 2 in de genoemde positie of toestand brengen 3 laten ondergaan, laten ondervinden 4 opbrengen, kosten 5 schoonmaken 6 op oppervlakkige wijze bereizen, bezichtigen
doen6 (hulpwerkwoord) 1 zorgen dat het genoemde gebeurt, laten
doen aan (werkwoord; deed, heeft gedaan) 1 zich wijden aan 2 bestrijden
doener (dem; doeners) 1 iem. die handelend optreedt, van aanpakken weet