Gezegde kan zijn: 1. gezegde (zegswijze) - een gebruikelijke uitdrukking (spreekwoord) 2. uitlating - dat wat iemand zegt 3. gezegde (taalkunde) predicaat - het deel van de zin waartoe de persoonsvorm behoort. (werkwoord en de daarbij horende woorden)
Gezegde (zegswijze) Een gezegde is net als een spreekwoord een vaste uitdrukking. In tegenstelling tot een spreekwoord is een gezegde een deel van een zin en wordt deze in een lopende en veranderbare zin verwerkt. Gezegden behoren tot de volkstaal. Om die reden zijn veel Nederlandse gezegden ontleend aan de scheepvaart. Volkstaal is dynamisch, om die reden kunnen oude gezegden gemakkelijk verdwijnen en nieuwe ontstaan.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen: een gezegde of staande uitdrukking: een deel van een zin, dat niet op zichzelf kan bestaan. met hart en ziel: Zij heeft met hart en ziel gewerkt aan haar recentste project. een zegswijze: deze kan als zin op zich bestaan. zijn sporen verdienen: Klaas heeft zijn sporen wel verdiend. poolshoogte nemen: Ik moest daar maar eens even poolshoogte nemen.
Gezegde (taalkunde) Het gezegde (of: predikaat) is de uitdrukking van datgene wat over het onderwerp wordt gezegd. In het Nederlands bevat het gezegde vrijwel altijd de werkwoorden in de zin of bijzin.
De term "gezegde" is een vertaling van het Latijnse praedicatum (letterlijk: 'dat wat ergens over gezegd wordt').
Predicaat In de moderne ontleding wordt in plaats van de term "gezegde" veelal de term predicaat gebruikt. Deze termen zijn echter niet zonder meer uitwisselbaar, want in tegenstelling tot het gezegde bevat het predicaat ook het object en mogelijk nog andere bepalingen: Hij heeft haar nooit een cadeau gegeven. gezegde: heeft gegeven predicaat: heeft haar nooit een cadeau gegeven Het predicaat is dus een constituent, het gezegde niet.
Constituent is een taalkundige term die verwijst naar een deel van een zin dat zich als een eenheid manifesteert. Een deel van een zin manifesteert zich als een eenheid wanneer het intact blijft onder bepaalde grammaticale operaties, zoals isolatie, vervanging, verplaatsing en coördinatie. Deze operaties worden constituentschapstests genoemd.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen werkwoordelijke en naamwoordelijke gezegdes: . De kern van een werkwoordelijk gezegde is een hoofdwerkwoord dat eventueel wordt begeleid door hulpwerkwoorden en voorzien kan zijn van voorwerpen en/of bepalingen: (1) Zijn vriendzou dat nooit gedaan kunnen hebben. (2) De burgemeesterwerd door de menigte uitgejouwd.
Een naamwoordelijk gezegde wordt gevormd door een naamwoord, dat de kern is, en een koppelwerkwoord, dat geen zelfstandige betekenis heeft (zijn, worden, blijven): (3) Roken is slecht voor de gezondheid. (4) Die jongen blijft een onverbeterlijke deugniet.
In de traditionele grammatica worden twee typen gezegde onderscheiden:
1. een werkwoordelijk gezegde, dat uitsluitend uit werkwoorden bestaat. Dit gezegde kan worden verdeeld in de persoonsvorm en de zogenaamde werkwoordelijke rest: . een werkwoordelijk gezegde bestaat uitsluitend uit werkwoorden Hij heeft haar willen laten vertrekken. Werkwoordelijk gezegde: heeft willen laten vertrekken Hoe wil je dat gaan doen? Werkwoordelijk gezegde: wil gaan doen
Een werkwoordelijk gezegde kan naast een werkwoordelijke ook een niet-werkwoordelijke rest bevatten. In de volgende zin is te de niet-werkwoordelijke rest: . Hoe denk (persoonsvorm) je dat te gaan doen (werkwoordelijke + niet-werkwoordelijke rest)?
In de volgende zin is aan het gooien een niet-werkwoordelijke rest: . U bent (persoonsvorm) op dat veld ballen aan het gooien (niet-werkwoordelijke rest).
'Aan' is in de zin hierboven een voorzetsel, 'het' is een lidwoord en 'gooien' is een zelfstandig naamwoord. 'Gooien' is namelijk een zelfstandig naamwoord, omdat er na een lidwoord altijd een zelfstandig naamwoord volgt. Toch wordt deze niet-werkwoordelijke rest wel bij het werkwoordelijk gezegde gerekend.
De niet-werkwoordelijke rest maakt verder altijd deel uit van het andere type gezegde, het naamwoordelijk gezegde.
2. een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel (zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of voornaamwoord) en eventueel een of meer hulpwerkwoorden Onze bakker werd na de verkiezingen minister van milieu. Naamwoordelijk gezegde: werd minister van milieu Onze slager bleef maar ziek. Naamwoordelijk gezegde: bleef ziek