1933 Gaat eerst naar de particuliere school, de Haarlemsche Schoolvereeniging, maar bij opheffing gaat hij naar de openbare school School 17.
1934 Schrijft zijn eerste verhaal; De pottebakker.
In 1936 scheiden zijn ouders, hij blijft bij zijn vader wonen, zijn moeder verhuist naar Amsterdam en mulisch wordt vooral opgevoed door de huishoudster Frieda Falk.
1937 Tweede verhaal wordt geweigerd door de redactie van het kinderweekblad Doe mee (Later, in mei 1965, wordt het gepubliceerd in het literaire tijdschrift Barbarber).
Na de lagere school gaat hij in 1940 naar het Christelijk Lyceum in Haarlem.
1944 Zakt voor zijn overgangexamen en verlaat de middelbare school voorgoed.
Tijdens de oorlog werkt zijn vader bij de collaborerende bank Lippmann-Rosenthal&Co en in deze positie kan hij zijn zoon en ex-vrouw beschermen tegen deportatie.
In zijn middelbare schooljaren raakt Mulisch in de ban van de wetenschap. Hij richt een laboratorium in voor zijn experimenten, geïnspireerd door het jeugdboek De avonturen van Bram Vingerling van Leonard Roggeveen. Deze hobby gaat ten koste van zijn schoolprestaties: hij zakt voor zijn overgangstentamen in 1944 en gaat van school.
Na de oorlog wordt vader Mulisch tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege zijn baan bij Lippmann-Rosenthal & Co. Mulisch is bezig met het maken van symbolistischetekeningen en moralistische gedichten.
1946 Hij wordt afgekeurd voor de militaire dienst.
Mulisch' belangstelling verschuift meer en meer van de wetenschap naar de kunst. Hij tekent veel en schrijft in 1946 het verhaal Mijn kamer.
1947 Ik, Bubanik (novelle, pas in 1994 gedrukt) 1947 Schrijft de novelle Tussen hamer en aambeeld en in Elseviers weekblad verschijnt het verhaal De kamer van zijn hand.
Mulisch begint met het lezen van grote schrijvers als multatuli en Dostojevski, gaat toneelspelen en treedt op in een operette.
Vanaf 1949 richt hij zich volledig op het schrijven.
1951 Het manuscript van Archilbald strohalm wordt bekroond met de Reina Prinsen Geerligs-prijs. Zijn moeder verhuist naar Amerika en neemt de Amerikaanse nationaliteit aan.
Debuut: 'Tussen hamer en aambeeld' (1952, novelle)
De eerste roman van harry mulisch was 'Archibald Strohalm' (1952), waarvoor hij de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving.
1953 Chantage op het leven (bundel met twee novellen) 1954 De diamant: Een voorbeeldige geschiedenis (roman) 1955 De sprong der paarden & de zoete zee (novelle) 1955 Het mirakel: Episodes van troost en liederlijkheid uit het leven van de heer Tiennoppen (verhalen)
In 1955 gaat harry mulisch het huis uit en gaat wonen aan het Staten Bolwerk in Haarlem. Hij reist naar Wenen en Italië.
In 1958 verhuist Mulisch naar Amsterdam. In datzelfde jaar wordt hij lid van de redactie van het tijdschrift Podium. Hij is ook redacteur van Randstad en tot 1990 van het bekende literaire tijdschrift De Gids.
1958 Manifesten (aforismenbundel)
'Het stenen bruidsbed' (1959) gaat over het verschrikkelijke bombardement op Dresden in 1945.
1959 Hij gaat voor het eerst naar Venetië. Het toneelstuk Tanchelijn, geschreven in opdracht van de gemeente Amsterdam, waar hij de Visser Neerlandica-prijs 1960 voor ontving, wordt gepubliceerd. Ook het toneelstuk De knop wordt gepubliceerd en uitgevoerd.
In de zestiger jaren toont hij zich sterk betrokken bij de nieuwe maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Hij voelt zich aangetrokken tot een communistische staat als het cuba van Fidel Castro.
1961 Hij krijgt de voor het toneelstuk Tanchelijn.
Belangrijk voor de interpretatie van zijn werk is Voer voor psychologen (1961): verhalen, invallen en anekdoten leveren het gecompliceerde beeld op van Mulisch' magisch-mythische levensfilosofie.
1961 Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf, tijdens de Jongste Dag (parodie)
In 1962 komt Mulisch in het bestuur van De Bezige Bij.
1962 De zaak 40/61. Een reportage. Harry Mulisch volgde het proces tegen de SS'er Eichmann in Israël en publiceerde hierover in 'De zaak 40/61'.
1962 Quauhquauhtinchan in den vreemde: Een sprookje (sprookje)
1963 Vijverberg-prijs voor De zaak 40/61.
1965 Hij wordt redacteur van De Gids.
1966 Wereldreis naar India, Thailand, Japan, Amerika. 1966 Bericht aan de rattenkoning (roman) 1967 Wenken voor de Jongste Dag (verzamelbundel)
1968 Tweede reis naar cuba en hij richt het Comité van Solidariteit met Cuba op.
1968 Het woord bij de daad: Getuigenis van de revolutie op cuba. (reportage)
1969 Derde bezoek aan cuba, hij gaat ook naar Weinreb waar hij zijn onderduikadres opzoekt. Hij schrijft de taalopera Reconstructie in samenwerking met hugo claus.
1970 De verteller (roman) 1970 Paralipomena orphica (verzamelbundel) 1971 De verteller verteld (roman)
In 1971 trouwt Mulisch met Sjoerdje Woudenberg. Met haar krijgt hij twee kinderen.
1972 Soep lepelen met een vork: tegen de spellinghervormers. (pamflet) 1972 Oidipous Oidipous: Naar Sofokles. Gevolgd door een vertaling van 88 profetieën en de fragmenten over Armenië van leonardo da vinci. (roman) 1972 Wat gebeurde er met sergeant Massuro? (verhalen) 1972 De toekomst van gisteren: Protocol van de schrijverij (verslag)
1972 Zijn toneelstuk Oidipous Oidipous gaat in première.
1973 Reis langs de sporen van de vijftiende eeuwse kardinaal Nicolaus Cusanus en wordt lid van het Nicolaus Cusanus Gesellschaft. 1973 Woorden, woorden, woorden (typografisch spel) 1973 Het seksuele bolwerk (essay)
1974 Zijn tweede dochter wordt geboren, Frieda genaamd, naar de vroegere huishoudster van zijn ouders. 1974 De vogels: Drie balladen (gedichten) 1974 Bezoekuur (toneelstuk) 1975 Tegenlicht (gedichten)
1975 Het Letterkundig Museum in Den Haag wijdt een tentoonstelling aan mulisch, getiteld De getijden van harry mulisch. 1975 Mijn getijdenboek (geïllustreerde autobiografie) 1975 Volk en vaderliefde: Een koningskomedie (scenario) 1975 Twee vrouwen (roman) 1975 Kind en kraai: of Familie duurt het langst (gedichten)
1976 Vijftigste verjaardag wordt uitgebreid gevierd met feest 'Leven, lijden en triomf van Harry Mulisch' in Amsterdam en Den Haag. Hij krijgt de onderscheiding van Ridder in de orde van Oranje Nassau. In hetzelfde jaar krijgt hij de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre. 1976 Het ironische van de ironie: Over het geval G.K. van het reve (polemische brochure) 1976 De grens (novelle) 1976 Vergrote raadsels: verklaringen, paradoxen, mulischesken (aforismen- en citatenreeks) 1976 De wijn is drinkbaar dank zij het glas. (gedichten)
1977 De taal is een ei (gedichten) 1977 Oude lucht: Drie verhalen (verhalenbundel)
1978 Opvoering van Het stenen bruidsbed in het Universiteitstheater in Amsterdam. 1978 Wat poëzie is: Een leerdicht (gedichten)
In 1992 wordt er nog een zoon geboren uit een verhouding met een nieuwe partner en het Letterkundig Museum besteedt aandacht aan een overzichtstentoonstelling van het werk van mulisch. In 1992, bij het uitreiken van het eerste exemplaar van De Ontdekking van de Hemel, volgt een bevordering tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Van de gemeente Amsterdam ontvangt Mulisch de zilveren eremedaille.
'De ontdekking van de hemel' (1992) is de geschiedenis van Quinten de zoon van Onno Quist. Het is zijn taak om de tien geboden terug te brengen naar God, want door de technische vooruitgang heeft de mens God mogelijk niet meer nodig.
1996 Publicatie van de tekst van de eerste versie van De aanslag, getiteld De oer-aanslag.
1997 Zielespiegel.Bij wijze van catalogus (catalogus).
Het zevende land (1998, essays)
De Procedure (1998, roman), 1998 Televisiedocumentaire Close-up van de AVRO met Mulisch over het ontstaan van De procedure.
Ontvangt de Prix Jean monet de Literature Européenne 1999 voor de in het Frans vertaalde roman De ontdekking van de Hemel en de Libris Literatuurprijs voor De Procedure.
Zijn romans zijn niet realistisch in de traditionele zin van het woord. Veelal zijn de verhalen in eerste instantie heel werkelijk en vertonen ze naar verloop van tijd steeds meer fictionele trekken. Veel van zijn werk heeft autobiografische trekken maar het is altijd verweven met fictie.
Thema's die terugkomen zijn de relatie tussen het alledaagse en het goddelijke en de Oedipus-mythe. Ook kan het thema van de vraag naar schuld en verantwoordelijkheid nog genoemd worden. Meestal wordt dit behandeld in relatie tot het onderwerp waarvoor in Mulisch' werk een belangrijke centrale positie is weggelegd: de Tweede Wereldoorlog.