Een hulpwerkwoord is een werkwoord dat een betekenis toevoegt aan een ander werkwoord en niet zelfstandig, maar slechts in combinatie met een ander werkwoord kan voorkomen: het is een nadere werkwoordelijke bepaling bij een hoofdwerkwoord. Een uitzondering hierop vormen de modale hulpwerkwoorden. Zinnen als "ik wil het" en "je moet" zijn correct Nederlands. In deze gevallen is het echter zo dat er impliciet wel een werkwoord bij hoort, in de genoemde zinnen bijvoorbeeld "hebben" of "doen".
Hulpwerkwoorden worden onderscheiden in hulpwerkwoorden van tijd, van modaliteit, van de lijdende vorm, van aspect en van causaliteit.
Hulpwerkwoorden van tijd worden gebruikt in de samengestelde werkwoordstijden; hulpwerkwoorden van de voltooide tijd zijn hebben en zijn, het hulpwerkwoord van de toekomende tijd is zullen: . Ik heb me deerlijk in hem vergist. . Zij is gisteren thuisgekomen. . Het zal morgen onweren.
Hebben wordt gebruikt in combinatie met het voltooid deelwoord om samengestelde verleden tijden te vormen: voltooid tegenwoordige tijd (VTT) - ik heb gelopen voltooid verleden tijd (VVT) - ik had gelopen
Zijn wordt op dezelfde manier gebruikt als hebben, bij een kleiner aantalwerkwoorden die alle onovergankelijk zijn: VTT - ik ben gegaan VVT - ik was gegaan
Zullen wordt gebruikt in combinatie met de infinitief om vormen van de toekomende tijd te maken: onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (OTTT) - ik zal lopen onvoltooid verleden toekomende tijd (OVTT) - ik zou lopen
Voor het vormen van voltooide toekomende tijden worden hebben/zijn en zullen in combinatie gebruikt: voltooid tegenwoordige toekomende tijd - hebben gelopen / ik zal zijn gegaan voltooid verleden toekomende tijd (VVTT) - ik zou hebben gelopen / ik zou zijn gegaan
Hulpwerkwoorden van modaliteit drukken uit hoe de spreker de verhouding tussen de beschrijving en de werkelijkheid ziet: als een wenselijkheid, een mogelijkheid enz. Tot de modale hulpwerkwoorden worden gerekend: blijken, dunken, heten, hoeven, kunnen, lijken, moeten, mogen, schijnen, voorkomen, willen. Voorbeelden: (3) Daarvoor mogen we God wel op onze blote knieën bedanken. (4) Ze kunnen niet meer produceren, al zouden ze het willen.
Ook zullen kan in sommige gevallen als modaal werkwoord gezien worden, bijvoorbeeld in de zin: "Zal ik het raam opendoen?". Dit is niet verwonderlijk omdat de toekomende tijd ook wel als een wijs (modus) gezien wordt.
Hulpwerkwoorden van de lijdende vorm Het werkwoord worden wordt in combinatie met het voltooid deelwoord mede gebruikt als hulpwerkwoord van de lijdende (passieve) werkwoordsvormen in onvoltooide tijd, waarin het grammaticale onderwerp gelijk is aan het logische lijdend voorwerp: . Het pakket wordt in de namiddag bezorgd. . Die klus is zo geklaard. OTT - ik word geslagen OVT - ik werd geslagen
Het werkwoord zijn wordt gebruikt om passieve werkwoordsvormen in voltooide tijden te maken: VTT - ik ben geslagen VVT - ik was geslagen
In toekomende werkwoordstijden wordt het hulpwerkwoord van de lijdende vorm in combinatie met zullen (hulpwerkwoord van tijd) gebruikt; voorbeeld: ik zal geslagen worden (OTTT).
Hulpwerkwoorden van aspect geven een begin van een handeling aan (gaan en komen), of duidelijk maken dat een handeling voortduurt (blijven). . "hij gaat werken", "hij komt logeren" → geeft begin van handeling aan. . "hij blijft wandelen" → geeft aan dat een handeling voortduurt. NB. Tot de hulpwerkwoorden van aspect behoren ook zijn, zitten, lopen, hangen en staan als zij aangeven dat een handeling voortduurt.
Hulpwerkwoorden van causaliteit geven aan dat er een betrekking van oorzaak en gevolg in de zin staat. Er zijn er twee: . doen in de zin "hij doet haar blozen" . laten in de zin "zij laat hem wachten"
Andere functies Veel van de hier genoemde werkwoorden kunnen naast de functie van hulpwerkwoord ook andere functies vervullen, bijvoorbeeld: . doen is ook een zelfstandig werkwoord ("we doen niets") . hebben is ook een zelfstandig werkwoord ("ik heb een auto") . zijn is ook een zelfstandig werkwoord ("hij is in de tuin") en een koppelwerkwoord ("jij bent een vrouw") . worden is ook een koppelwerkwoord ("zij wordt arts")