1 datgene waarover een gesprek, redevoering, boek enz. gaat
2. Onderwerp (taalkundig) - Deel van de zin waarvan de nauwe betrekking tot het vervoegde werkwoord wordt uitgedrukt door overeenstemming in persoon en getal.
Het onderwerp (ook subject genoemd) is in de grammatica het zinsdeel dat bepaalt hoe de persoonsvorm er uitziet. Meestal (maar niet altijd!) verwijst het onderwerp naar iets of iemand dat/die een handeling uitvoert.
Voorbeelden: - Ik heb het raam open laten staan. - De drie wijzen uit het Oosten volgden de ster naar Bethlehem.
- Piet gaat naar huis. Piet en Jan gaan naar huis. - Piet wordt door de jongens geslagen. Piet en Janworden door de jongens geslagen. Zoals je ziet verandert gaat in gaan als Piet door Piet en Jan vervangen wordt. Piet en Piet en Jan zijn dus de respectievelijke onderwerpen van de eerste twee zinnen. Soortgelijke opmerkingen gelden ook voor de laatste twee zinnen.
Nota bene: Het onderwerp van een zin kan zélf een zinsdeel met een eigen persoonsvorm (finiet werkwoord) zijn: - Wat hij zegt is niet waar. - De dingen die hij zegt zijn niet waar.
Normale plaatsing In het Nederlands staat het onderwerp in mededelende zinnen meestal voor de persoonsvorm. - De voetballers betraden de kleedkamer.
Inversie onderwerp en persoonsvorm Het kan gebeuren, bijvoorbeeld in sommige vragende zinnen, dat de persoonsvorm voor het onderwerp staat. - Hier gaan we allemaal naartoe - Waar gaan we heen?
Vorm In zogenaamde flecterende talen, dat wil zeggen talen met naamvallen, staat het onderwerp gewoonlijk in de eerste naamval of nominativus. Bekende voorbeelden van flecterende talen zijn: Duits, Oudgrieks, Latijn.
Loos onderwerp Een loos onderwerp is een onderwerp dat geen betekenis heeft, maar enkel voorkomt voor de vorm. In zinnen met een onpersoonlijk werkwoord komt geen zelfstandigheid voor waarover het gezegde iets zegt. In het Nederlands komt dit neer op het gebruik van het als onderwerp in verband met een natuurgebeuren of een onbekende oorzaak of wanneer men het onderwerp niet wil aangeven. - Het regent. - Het spookte in het huis. - Het lekt in de kelder. - Het vriest, het is koud, het wordt donker, het is al laat. - Hoe gaat het ermee?
Voorlopig onderwerp Een voorlopig onderwerp staat in het begin van de zin en verwijst naar het eigenlijk onderwerp aan het eind van de zin of in de bijzin. - Het is schandelijk dat ik nog nooit op de UB ben geweest. - Het zal zomaar gebeuren, dat hij over zijn schoenen valt
Herhalend onderwerp Een herhalend onderwerp, meestal een voornaamwoord, herhaalt het eigenlijk onderwerp. - Dat ik literatuurwetenschappelijke colleges niet leuk vind, dat is overal bekend.
Plaatsonderwerp Er als tweede onderwerp aan het begin van de zin of na inversie midden in de zin direct na de persoonsvorm, dus waar gewoonlijk het echte onderwerp staat. In dit laatste geval is het gebruik van er meestal optioneel: - Er stond een agent voor het consulaat. - Gisteravond stond er een agent voor het consulaat.