Zijn poëzie evolueerde van een gesloten systeem naar meer openheid, van een gebondenheid aan het zinnelijke naar onthechting en streven naar het bovenzinnelijke, van een dualiteit tussen lichaam en geest naar een hogere synthese, een ontdekken van 'la santé cosmique'. Het thema van deze poëzie is de dichter-als-balling en het zoeken naar spiritualistische uitwegen uit deze vervreemding. In hun aristocratische verfijndheid en klassieke eenvoud plaatsen zijn gedichten de lezer voor het eeuwige probleem van de bestemming van de mens.
Pieter Geert Buckinx werd op 6 februari 1903 te Kortessem geboren. Hij heeft 1 oudere broer en 4 zusters. Zijn vader, Bonaventure(Thurio) Buckinx, schreef volkse gedichten in ‘ Het Limburgs Jaarboek' . Zijn moeder was Celestina Stas.
Hij volgt middelbaar onderwijs aan het O.L.V.-college te Tongeren. Samen met zijn broer, die toneelstukken schrijft, start hij een toneelgroepje. Op 10-11 jarige leeftijd schrijft hij zijn eerste gedicht : ‘De Kus'.
In 1922 verlaat hij zijn geboortedorp. Hij begon een loopbaan in de rijksadministratie in Brussel, waar hij opklom tot topambtenaar bij het Vast Wervingssecretariaat. Het artistieke leven in de hoofdstad boeide hem uitermate. Buckinx schreef zijn eerste gedichten in ‘De Schelde' en geeft 'Kerels' uit onder het pseudoniem Piet de Beuk.
Buckinx had veel belangstelling voor toneel. Hij debuteerde met toneelstukken, was toneelrecensent, doceerde toneelletterkunde in het Instituut voor Journalistiek in Brussel en verzorgde jarenlang de kroniek Het toneelleven te Brussel voor het Belgisch Nationaal Instituut voor Radio-Omroep en schreef toneelkritieken.
1923 - Pieter Geert wordt lid van het reizend Toneelgezelschap Gudrun en schrijft toneelkronieken in Averbodes Weekblad en De Kunstgids, evenals in ‘Toneelgids'.
Als dichter debuteerde Buckinx in 1927 met de bundel De doortocht. In hetzelfde jaar heeft hij een ontmoeting met Paul van Ostaijen.
1928 - Eerste contacten met André Demedts. Huwt Charlotte Oosterlinck(1905).
Wachtvuren (1929),
Buckinx werkte mee aan een groot aantal bladen en tijdschriften en was een van de medestichters van De Tijdstroom (1930-1934) en Vormen (1936-1940).