| Gaudeamus igitur, juvenes dum sumus; (bis) Post jucundam juventutem, Post molestam senectutem, Nos habebit humus. (bis) Ubi sunt qui ante nos in mundo fuere , (bis) Vadite ad superos, Transite ad inferos, Ubi jam fuere. (bis) Vita nostra brevis est, brevi finietur; (bis) Venit mors velociter, Rapit nos atrociter, Nemini parcetur. (bis) Vivat Academia, vivant professores, (bis) Vivat membrum quodlibet, Vivant membra quaelibet, Semper sint in flore ! (bis) Vivant omnes virgines, graciles, formosae ! (bis) Vivant et mulieres, Tenerae, amabiles, bonae, laboriosae ! (bis) Vivat et respublica et qui illam regit ! (bis) Vivat nostra civitas, Maecenatum caritas, Quae nos hic protegit ! (bis) Pereat tristitia, pereant osores, (bis) Pereat diabolus, Quivis antiburchius Atque irrisores ! (bis) | Laten wij ons nu verheugen, terwijl wij jong zijn; Na een aangename jeugd, Na een vervelende (lastige) oude dag, Zal de aarde ons tot woonplaats dienen (dood en begraven m.a.w.) Waar zijn zij die vóór ons op de wereld leefden? Gingen zij naar de hemel, Gingen zij naar de hel, Waar zijn zij nu gebleven? Ons leven is kort, kort en eindig; De dood komt snel, Overvalt ons wreed, Niemand wordt gespaard. Leve het studentencorps, leve het professorencorps, Leve welk lid van het ene dan ook, Leve welk lid van het andere dan ook, Mogen zij immer hoog in aanzien staan! Leve alle meisjes, slank en welgevormd En leve de vrouwen, Zacht en beminnelijk, Nuttig en werkzaam! Leve het bestuur (praesidium) en hij die het regeert, Leve ons lidmaatschap, Begunstigers en Waarden, Mogen zij ons blijvend beschermen! Moge droefgeestigheid verdwijnen en vijanden ten onder gaan, Moge de duivel ten val komen, en wie het studentenleven kwaadgezind is, en tenminste zij die met ons spotten! |